koop tickets online

Retro - Geen bankzitter … : Raf Lapeire


Geen bankzitter …

Raf Lapeire geïnterviewd         

   

Voorwoord van de hoofdredacteur: n.a.v. zijn overlijden op 20 februari 2020 publiceren we het interview dat SHOT van Raphaël Lapeire afnam in september 2009 opnieuw.

Van 1970 tot ’75 speelde de Izegemnaar Raf Lapeire in bijna alle wedstrijden van het Cerclefanionelftal. Hij speelde goed. Hij speelde graag. Meer dan honderdvijftig matchen. Hij was een hazewind. Topfit voelde hij zich bij Groen-Zwart. Op achtendertig doelpunten, veelal met het hoofd gescoord, blikt hij voldaan terug. Waarom verkaste hij halfweg 1975 van Cercle naar SC. Menen? Was hij uitgekeken op Cercle of was Cercle uitgekeken op hem? Ik vroeg het hem. “Volgend jaar zal dat niet opnieuw gebeuren,” had hij bij zichzelf gedacht… Wat dan wel, wat zou er niet opnieuw gebeuren? In ’74 -’75 waren er twintig ploegen in ’s lands eerste afdeling. Raf mocht ‘slechts’ vierendertig op de achtendertig keren met zijn medespelers het veld oprennen. Vier keer moest hij – met grote tegenzin – op de bank plaatsnemen… Víér keer bankzitter! Dat was Raf te veel. ‘De bank’, die o zo zware, o zo typische beproeving van zowat elk rasecht voetbaldier betekende voor Raf het abrupte einde van een heerlijke periode van vijf volle jaren groen-zwarte voetbalvreugde en -succes.                                             

Raf, hoe beginnen we ons verhaal over jou? Ik weet alleen dat er aan je transfer naar Cercle al vijftien jaar voetbal bij F.C. Izegem voorafging.

Ik werd geboren op de voorlaatste dag van 1944 en word dus vijfenzestig op het einde van dit jaar. Als kind, niet ver van waar ik nu woon en waar het intussen volgebouwd is, konden wij als kinderen ravotten naar hartelust en niets trok ons meer aan dan dat ronde lederen of rubberen ding waarmee we konden shotten. Halfweg het seizoen ’59 - ’60 debuteerde ik in de eerste ploeg van Izegem – eerder mocht het niet, want dan pas werd ik zestien.

Cerle Brugge KSV

Het werd een 5-0 klap om de oren tegen S.K. Roeselare, op het Motje. Het was Izegems laatste seizoen in Derde Nationale. In de terugronde wonnen we één wedstrijd en op het einde van het seizoen totaliseerden we … vijf, ik zeg wel, víjf punten! Het jaar daarop was niet beter: we zakten uit Bevordering naar Eerste Provinciale. Niet dat het al kommer en kwel was bij Izegem, hoor! Bij de jeugd, dat zal wel bij de “kadetten” geweest zijn, speelden we kampioen. Weet je wie er dan ook meespeelde bij ons? Patrick Sercu. Het was niet alleen de fiets die Patrick bekoorde.

Maar jouzelf sprak het stalen ros niet aan?  Jij was alleen in de ban van Koning Voetbal?

Neen, fietsen was mijn ding niet. Als ik als sportman ooit iets anders dan voetballer was geworden, dan was ik wellicht een loper geweest. Weet je, ik ben nooit naar school gegaan… Of misschien toch wel, om niet helemaal bezweet op school aan te komen ging ik wel een eind naar school. Maar zeker ging ik nooit van school terug naar huis. Op straat gíng ik niet, op straat líép ik. En ik genoot daarvan. Overigens, wat studies betreft, ik ben maar tot mijn veertiende naar school geweest. Vanaf veertien was het hard, heel hard werken. In de bouw. Voor chauffage Declercq.  In regen en wind. Heel zwaar! En bij Cercle volgden er dan drie, vier trainingen in de week…

Welke zijn je vroegste Cercleherinneringen?

Wel, het heeft een hele tijd geduurd voordat ik bij Cercle terechtkwam. Langer dan mij lief was. Niet minder dan vier jaren lang al wilde Cercle mij hebben, maar bij Izegem mocht er niemand weg. Lucien Hautekiet was verschillende keren naar mij komen kijken - ‘k herinner me goed dat ik hem zelfs een keer aantrof om mij te scouten toen we op Doornik speelden - maar terwijl ik onder andere zag dat Johnny Thio zomaar van Club Roeselare naar Club Brugge mocht vertrekken, liet Izegem mij niet gaan. Pas toen het transferreglement versoepeld was, kon ik halfweg ’60 naar Cercle overstappen.

En wat een overgang was het! Jij werd meteen de topschutter van Groen-Zwart, dat als kampioen naar Eerste Afdeling promoveerde…

Dat klopt. ‘k Heb geen ogenblik miserie gehad om mijn draai te vinden bij Cercle. Niet op het veld, en niet erbuiten. Ja, beter had het ook niet kunnen beginnen bij Groen-Zwart. Mijn eerste match was een bekermatch, thuis tegen S.K. Roeselare. Ik kende vele van die gasten die bij Roeselare speelden en waartegen ik met de Izegemse jeugd had gespeeld.  We wonnen met 3-0 en ik scoorde twee goals. Ook vroeg in het seizoen tegen concurrent nummer één, Club Mechelen, vond ik twee keren de weg naar de netten. We wonnen die wedstrijd met 2-0. Uiteindelijk zou Club Mechelen ons als tweede naar Eerste Klasse vergezellen. Ze klopten ons weliswaar achter de Kazerne met 3-0, maar dat gebeurde tijdens de laatste competitiematch en na de vorige wedstrijd, gewonnen thuis tegen Sint-Niklaas, stond het vast dat wij kampioen zouden worden. Wellicht hadden we het de voorbije week te druk gehad. Te druk met feestvieren! Intussen was ik inderdaad topschutter geworden, met dertien pluimen op mijn hoed. Een doelpunt waar ik bijzonder van genoten had, was mijn kopbaldoelpunt op Daring. We wonnen met 0-1, en ik kopte de bal voorbij doelman Jean Nicolay, die van Standard naar Daring was getransfereerd. Dat doelpunt heeft een gouden randje in mijn geheugen omdat het er samengaat met een andere 18-karaatstreffer. In ’72-’73, alweer bij een met 0-1 gewonnen wedstrijd, en dan nog wel op het veld van Standard, kopte ik de bal voorbij … Christian Piot! Niet alleen dat de kranten mij toen uitriepen tot ‘speler van de week’ vond ik fantastisch, maar meer nog dat ik met Cercle na Nicolay nu ook die tweede nationale grootheid zo’n mokerslag had kunnen toedienen…

Het begon dus niet alleen goed, het bleef prima draaien?

Ja, maar wat al spelers hadden wij dan niet in onze ploeg! Toen Cercle mij binnenrijfde, versterkte Groen-Zwart zich ook met de Duitser Jürgen Tödebusch en de Roemeense international Ion Ionescu. Die laatstgenoemde was wel een beetje ‘fin de carrière’ en bracht niet wat van hem verwacht werd en Tödebusch was meer een krachtspeler, een stormram, dan een fijne voetballer, maar, hoe dan ook, wij gedrieën kwamen terecht tussen al het talent dat er al was: ‘k denk onder meer aan Jules Verriest, Carlos Desteur, Franky Simon, Pierre Hanon en, niet te vergeten, Zdenko Vukasovic.  Het jaar daarop trok Cercle Prudent Bettens, Roland Boey, Fernand Goyvaerts en de Deen Benny Nielsen aan. Nog een jaar later voegden zich onder meer Peter De Quant en Morten Olsen bij ons. Zonder enige twijfel was Olsen de beste speler die ik ooit bij Cercle heb weten voetballen. Nielsen was goed, zeer goed, maar Olsen, dat was nog een klasse hoger!  In alle opzichten blonk hij uit, Morten. Hij kon overal spelen, rap, balvaardig, de juiste positie kiezend, vol speldoorzicht. Vreemd genoeg was er toch één ding dat hem al te zelden lukte, één iets slechts, maar dat was dan ook … zelf scoren! ‘k Kan mij niet één keer herinneren dat hij de bal tegen het net kreeg… Elk jaar werden er natuurlijk ook enkele kernspelers van de hand gedaan, maar toch bleef Cercle een ploeg met klinkende namen, al werden er dan minder grote namen aangetrokken tijdens mijn laatste twee jaar bij Cercle, van half ‘73 tot half ‘75.

Er is iets dat me opvalt als ik kijk in het nu bijna twintig jaar oude boek van ‘Cercle 90 jaar’. Er staan twee foto’s in van de ploeg waarin jij bij Cercle startte. Ze zijn niet bij dezelfde wedstrijd genomen, maar op beide foto’s is de ploeg dezelfde. Ook in het jubileumboek ‘Cercle 100 jaar’, is een variant van één van die foto’s te zien. Is het louter toeval dat het volstrekt dezelfde elf gezichten zijn op die foto’s, of wijst dat erop dat er zelden wisseling van spelers was bij jullie - wat dan misschien niet vreemd was aan de prima prestatie?

 

Cerle Brugge KSV

Het is zeker goed voor de automatismen in een ploeg als er niet voortdurend veranderingen zijn bij de opstelling van de ploeg. Hoe minder wisselingen, hoe beter. Toch zie ik op de foto’s ook spelers die niet alle dertig matchen meegespeeld hebben. Tödebusch is een tijd gekwetst geweest, Willy Van Acker was er niet altijd bij. Anderzijds zijn Joris Bogaert en Walter Van Poucke niet op de foto’s te zien, maar niet alleen zij, ook nog wel enkele anderen namen af en toe een plaats in.

’t Is een hele sprong in de tijd, maar die ongewijzigde elftallen deden mij denken aan een mogelijke samenhang tussen Cercles prestaties tijdens de voorbije twee seizoenen en de standvastigheid, respectievelijk wisselvalligheid, bij de ploegopstelling. Maar misschien moeten we hierover niet uitweiden…

Als we het over Cercles voorbije seizoen hebben, is er alleszins één ding dat ik niet kan begrijpen. Ik kan niet inzien dat het niet mogelijk zou zijn twee talentvolle spelers als Smetje en Buffel samen ten volle te laten renderen in dezelfde ploeg.

Niet alleen jij bent daarvan overtuigd, maar laten we teruggaan van het nabije naar het ‘verre’ verleden. Tijdens je tweede Cerclejaar, na de overgang van tweede naar eerste, scoorde je ‘slechts’ vijfmaal. Het ging dus van dertien naar vijf. Was het verschil met tweede klasse zo groot?

Ja, en neen. Aan de ene kant stond ik tegen sterkere verdedigers, maar aan de andere kant speelde ik toch liever in eerste. Niet ik alleen, vele spelers die van eerste klasse en lagere klassen proefden, zullen je vertellen dat je je in eerste vrijer kunt bewegen dan in tweede of lager. In eerste klampen de tegenstanders je minder aan, ze plakken minder aan je lijf. Je moet rap reageren, maar toch heb je meestal even de tijd om te oordelen wat je het best doet met die bal bij je. Ja, ik scoorde slechts vijfmaal. Maar het jaar daarop lukte het mij zeven keren de bal in de goal te doen belanden, en daarmee was ik warempel opnieuw Cercles topschutter!  Niet als spits - dat was ik nooit - maar als wat we toen ‘rechter inside’ noemden.

Een ander verschil met het jaar ervoor in tweede, was dat je een nieuwe trainer had. Na één jaar derde en drie jaar tweede, dus nadat hij in vier jaar tijd het vooropgestelde ‘vijfjarenplan: van derde naar eerste’ met succes had afgerond, gaf Urbain Braems het roer aan Han Grijzenhout over. Zelfde vraag als daareven: maakte dat een groot verschil uit?

Ja, dat was een groot verschil. Grijzenhouts wijze van aanpak was heel anders dan die van Braems. Met Han ging het er lang niet zo gemoedelijk meer aan toe. De trainingen vielen veel zwaarder uit: hij was streng en veeleisend. Iedereen moest wel toegeven dat Han heel gedreven en bekwaam was, maar voor de ene speler viel de mate waarin hij ‘de peze erop legde’ zwaarder uit dan voor de ander. Zélf had ik daar geen last van: ik deed ‘mijn werk’ en er was niemand die reclameerde… Maar daar waar Braems het nogal had voor spelers met een grote naam, voor gevestigde waarden, kende Han geen onderscheid des persoons. Onder andere Bettens, Goyvaerts en Ionescu zweetten meer dan hun lief was. Grijzenhout kon niet over de baan met wie zich niet vol strijdlust achter zijn principes schaarde. Ook met Hanon klikte het niet. Op een zekere keer zei Grijzenhout hem: “Je moet als laatste man niet altijd dat balletje bijhouden. Je moet ook al eens dat ding ver vooruitschoppen, hard ontzetten. Komt het leer dan in de voeten van een tegenstander, tot daar, maar vooral als we ingedrukt zijn moet je te allen koste die bal weg van achteraan krijgen.” En hoe reageerde Hanon? Bal na bal schopte hij in de tribune … Mettertijd ging het tussen Han en hem van kwaad tot erger, zodat Pierre in 1975 in geen geval de overgang naar Olympia wilde meemaken.

Daarmee zijn we al een heel eind je aanvangsjaar in eerste klasse voorbij. Welke herinneringen kun je onze lezers nog voorschotelen?

Als in een film zie ik nog hoe we tijdens dat eerste jaar in eerste afdeling Club met 1-0 naar huis zonden. Jules Verriest gaf een vrijschop van op links en de bal zoefde over heel Clubs verdediging. Ik stond dicht bij de paal en kanjerde de bal in één tijd richting keeper Sanders. Luc kon er slechts zijn hand tegen steken en de afgeweerde bal viel voor de voeten van Goyvaerts, die binnenschoot. Onvergetelijk is ook het begin van ‘73-’74. Halfweg de eerste week speelden we voor 92.000 toeschouwers in Barcelona de wedstrijd waarin Cruyff voor het eerst met zijn nieuwe ploeg optrad. We mochten Cruyff geen voetje in de weg leggen, anders zou het publiek razend geworden zijn op ons, en we delfden het onderspit met 6-0. 92.000 toeschouwers! Dat zullen er vermoedelijk meer geweest zijn voor die vriendenmatch dan alle toeschouwers samen op Cercles vijftien competitiematchen in Olympia in de loop van heel dat seizoen! En het was stikheet. ’s Morgens spoten de ‘pompiers’ water op de straten om het toch maar een beetje te doen afkoelen. Enkele dagen later kwam Anderlecht bij ons op bezoek. We wonnen met 3-1! Iets heel anders dat me nu voor ogen komt, dateert uit mijn laatste Cercleseizoen. We speelden thuis tegen Sporting Charleroi. Na ongeveer een kwartier, bij een 0-0 stand, miste ik een penalty. ‘k Was zo razend op mezelf dat ik mezelf voorhield: “Dat trek ik weer recht. Ik loop, ik speel, ik vecht tot ik erbij val.” We wonnen met 5-1. Ik scoorde onze laatste goal en had een voet in drie of vier van de andere doelpunten.

Natuurlijk, Raf, moet ik je nog vragen: “Hoe zag jij jezelf als voetballer?”

Wellicht het belangrijkste is dat ik altijd graag, “wree graag”, gevoetbald heb. Ook na Cercle, vijf jaar bij SC Menen, één jaar bij Wervik en wegens een kwetsuur ten slotte slechts een half seizoen bij Club Roeselare, was voetballen voor mij een feestelijk gebeuren. Écht ‘een feest’ was het natuurlijk pas bij winst, en vermoeiend was het zeker, ’s avonds na mijn zware dagtaak en zonder verpozing tijdens elk weekend.  Maar misschien bedoel je eerder te vragen wat voor een speler ik was? Ja, dan mag ik wel zeggen dat ik heel snel en beweeglijk was. Jean-Pierre Zutterman moet ooit tegen Lucien Hautekiet gezegd hebben dat het niet mogelijk was tijdens een match een foto van mij te nemen terwijl ik stilstond, omdat ik altijd aan het lopen was!

Cerle Brugge KSV

Jammer dat ze het aantal kilometers dat ik in een match aflegde, niet opnamen, zoals nu in de Champions League! Daarnaast heb ik altijd een goed kopspel gehad. Als ik in Izegem op één seizoen vijfentwintig doelpunten scoorde, dan waren er wel een stuk of twaalf met het hoofd. Puur technisch kon ik wel wat, maar allicht had dat toch een stuk beter gekund. Zo kon ik wel vrij goed in één tijd goed gericht een bal doorspelen. Maar, bijvoorbeeld, je hebt zo van die spelers die een bal van heel hoog naar beneden zien komen, ze kijken eventjes omhoog, lijken efkes te fluiten in de richting van die bal, steken hun voet uit en, al krijgen ze nog een flinke por in hun rug, pardoes, daar ligt dat lederen ding stil voor hun voet.  Zo’n balbeheersing had ik niet.  Mijn zoon, die acht van zijn actieve voetbaljaren bij Kachtem speelde, had dat eerder in zijn mars dan ik.

Een voetballende zoon? Zit het in de genen?

Ja, het zit zeker in de familie. Mijn zoons zoontje is nog maar vier en dat kind kan geen bal stil zien liggen… En mijn dochter, die heeft twee zoontjes. Ze spelen bij de -10 en de -12 van Roeselare. Er zitten al raven op de loer, maar ze zijn nog zo jong, verplaatsingen kunnen zo ver en zo frequent uitvallen.  En laat ze nog maar een tijdje kind zijn, met voetbal als een heerlijke hobby voor hen…

Ook zulke rasvoetballers als Raf Lapeire interviewen is een heerlijke hobby. Het is duidelijk dat Koning Voetbal diep zijn stempel op hem gedrukt heeft. Was het, anderzijds, niet een wat al te vluchtige beslissing zo maar van Cercle weg te willen wegens vier bankbeurten op achtendertig matchen? Niet die vraag was het waardoor ik niettegenstaande al het interessante dat ter sprake kwam, toch enigszins met een gevoel als had ik een muntstuk ingeslikt terug van Izegem naar het Brugse reed. Ik kon niet verhelpen dat iets anders mijn stemming drukte. Na vijf jaar lang met hart en ziel voor Cercle te hebben gespeeld, na meer dan honderdvijftig matchen rondgedraafd te hebben in Cercle-outfit, na achtendertig Cerclegoals te hebben gescoord: hoeveel keren heeft Raf Cercle nog zien spelen tijdens de voorbije vierendertig jaar? Antwoord: tweemaal.

 

Ik dacht het hierbij te houden, maar het zou niet eerlijk zijn niet toe te voegen wat Raf uitdrukkelijk zei: “Van Cercle zag ik alleen nog de eerste twee competitiematchen direct nadat ik naar Menen getransfereerd was. Méér naar Brugge komen was daarna jarenlang niet mogelijk, want ik moest zelf het voetbalveld op terwijl Cercle speelde. Maar ook nu nog kijk ik altijd geïnteresseerd naar wat Cercle gepresteerd heeft en ik ben altijd blij als het resultaat meevalt.”

(Georges Volckaert)

Gerelateerde nieuwsberichten

Cerle Brugge KSV
SHOT sprak met … Dany Verlinden

Twee jaar geleden “spoelde” Dany Verlinden aan langs de groene kant van Jan Breydel.  Enigszins een verrassing want de Europese recordhouder (zie verder) bracht het grootste deel van zijn carrière langs de noordelijke kant van het stadion door.  Her en der was er wat gemor in de groene gelederen, maar het stormpje ging al snel liggen en ondertussen voelt Dany zich hier goed thuis.
Tijd voor een gesprekje dus.

Dany, je kende slechts drie ploegen (jeugdwerking inclusief) in je actieve carrière, als profvoetballer zelfs slechts twee.  Je bent behoorlijk honkvast?

Ik startte met voetballen bij de jeugd van Ourodenburg en vervolgens vanaf mijn twaalf jaar bij Lierse waar ik alle jeugdrangen doorliep en in de A-kern terechtkwam.  Ik bleef bij Lierse tot mijn 25e, waarna ik in 1988 vertrok naar Club.  Daar speelde ik tot 2004.  Van 2004 tot 2011 bleef ik er als keeperstrainer.
Honkvast?  Nu, dat was wel zo in die tijd.  Je was als speler eigendom van de ploeg en de spelers bleven ook langer bij die ploeg.  Er gebeurden wel transfers, maar toch heel wat minder als nu.  Nu ben je vrij als je einde contract bent en ga je waar je wilt.  Dat was vroeger bij ons niet het geval.

Je palmares is niet min.  Vijf maal kampioen, vijf maal Bekerwinnaar, tien maal Supercupwinnaar en tweemaal “keeper van het jaar”.  Maar ondanks dat palmares heb je maar één “cap” als Rode Duivel?

Op dat ogenblik was er een generatie van heel goede jonge, en iets minder jonge, keepers.  Vande Walle, Preud’homme, De Wilde, Bodart, noem maar op.  Als je in die generatie valt is het vaak moeilijk.  De bondscoach moet keuzes maken.  Je hebt er immers maar één in doel en één op de bank nodig.

Lees meer
Cerle Brugge KSV
Feest Groen-Zwart Varsenare

Op vrijdag 7 maart, daags voor de derby, vond het jaarlijks feest van Groen-Zwart Varsenare plaats.
Deze vereniging had niet voor het eerst een feest een dag voorafgaand aan een belangrijke en bepalende wedstrijd (zowel qua kampioenenviering als degradatie).  Telkens met succes. Nu ook zo bleek ’s anderendaags. We wonnen de derby niet, verloren met een “eervol resultaat”, maar vooral, we blijven in 1A.

Lees meer
Cerle Brugge KSV
Praatje met een speler - Marton Eppel

‘Focussen op de twee komende wedstrijden’

In de aanloop naar de derby had ik ondermeer een gesprek met Marton Eppel.  Deze Hongaarse international belandde na Nieuwjaar aan de groen-zwarte kant van het Jan Breydelstadion.  Hij tekende een contract tot het einde van het seizoen.  Deze 28-jarige spits heeft er al een rijkgevulde carrière op zitten.  Naast het redden van Cercle Brugge heeft hij in zijn carrière ook nog wel wat doelen.  Zowel op clubniveau als met de Hongaarse nationale ploeg. 

Marton, je bent 28 kun je eens je carrière vluchtig schetsen voor onze lezers?
 

Lees meer
Cerle Brugge KSV
Een Groen-Zwart/Blauw-Wit nestje

Als ik mijn oor te luisteren leg dan begrijpen de Cerclesupporters niet dat de wedstijd tussen Cercle en AA Gent komend weekend beschouwd wordt als een “risicowedstrijd”, dit tevens met alle praktische ongemakken van dien.
Ik meen me geen ernstige incidenten te herinneren in de goed 53 jaar dat ik present teken op Cercle.  Al evenmin zal dit goed begrepen worden in de familie De Backer – De Zutter.

Goed vijf jaar geleden publiceerden we in SHOT een artikel betreffende Stijn De Backer en Mieke De Zutter.  De vader van Stijn, Martin, is reeds jaren de voorzitter van de “Westbuffalo’s”.  Dit is de West-Vlaamse supportersvereniging van de Gentenaars die reeds 30 jaar bestaat.  Stijns toenmalige vriendin, Mieke, komt uit een Cerclenest.  “Toenmalige vriendin”, want ondertussen zijn ze reeds ruim vijf jaar gehuwd.  Sinds negen maand is ook Eleni er bij gekomen.  Dat ze nog steeds trouw blijven aan “hun eigen kleur” bewezen de foto’s van Eleni met respectievelijke Buffalo- en Cercleslabbetjes die ik toegestuurd kreeg.  Hier houden we het bij de foto met de herinneringssjaal van onze laatste Bekerfinale en een foto van Mieke met haar schoonvader Martin.

Voetbal kan een feest zijn (en hopelijk zondag dat ietsje meer voor Mieke dan voor Stijn en zijn vader…)!

(Georges Debacker)
 

Lees meer
Cerle Brugge KSV
Cercle en Brugge door de jaren heen… (deel 221)

(periode van 11-02-1961 -> 25-02-1961)

 

Lees meer

Ontvang al het Cercle Brugge nieuws als eerste in je mailbox!