koop tickets online

SHOT sprak met… Georges Volckaert

Ruim zeventig jaar een vurige, enthousiaste Cerclesupporter


Voorafgaande nota van de hoofdredacteur:

SHOT sprak met… zichzelf.  Georges Volckaert is reeds ruim 18 jaar een zeer gewaardeerd SHOT-medewerker en gedurende diezelfde periode afgevaardigde bij de jeugd, nl. de Uefa’s/U19/U18.  Achter beide “taken” zet hij een punt.  Niet omwille van zijn 78-jarige leeftijd.  Het ware verhaal ontdekt u hierna.  We laten hem immers zelf alles uitleggen.
Verslik u niet, dit is het langste SHOT-artikel ooit!  Het leert u de mens en de Cerclesupporter Georges Volckaert kennen, maar is tevens een stuk Cercle-historiek over zeven decennia heen.  Nostalgie voor onze iets “rijpere” lezers, leerrijk voor de jongere generaties.

25 januari 2020.  Wat lees ik vanmorgen in de krant?  “Cercledoelman hervallen in strijd tegen leukemie.”  Miguel, Miguel, het snijdt me door merg en been…

Kan ik toch meteen beginnen aan wat ik me heb voorgenomen?   Ik mail naar Georges Debacker, hoofdredacteur van Shot-on-line, maak hem bondig duidelijk welk ideeënmolentje mij de voorbije nacht urenlang heeft wakker gehouden, verwijs ook naar dat vermaledijde krantenbericht, en minuten later al antwoordt hij: “Go for it!”

Jawel, de titel hierboven klopt.  Ruim zeventig jaar is Georges Volckaert een Cerclefan in hart en nieren.  Vanaf wanneer juist, weet niemand, maar niet lang meer zal het mogelijk zijn diezelfde bewering te herhalen.  Bij om het even welke variant moet één woord noodzakelijk aangepast worden: Ruim zeventig jaar was G. V. een volbloed Cerclefan.

Hoe kan ik het spervuur aan gedachten en beelden die mij overvallen voldoende communicatief aan de lezer overbrengen?  De meest doeltreffende ordening moet wel uitgaan van een min of meer chronologische leidraad.

Ik ben in Brugge geboren halfweg 1914, sorry, ik bedoel op het einde van juni 1941, en kwam als baby te Sint-Andries in het Kloosterveld terecht.  Vandaag de dag betekent de straatnaam ‘Het Kloosterveld’ ongetwijfeld niets voor de overgrote meerderheid van de Cerclesupporters, maar ook jarenlang nog na mijn geboorte klonk die naam bekender in het oor van Cerclespelers en -supporters dan de naam van Cercles hoofdterrein, het Edgard De Smedtstadion. In het Kloosterveld kwam ik rechtover het oefenveld van Cercle terecht.

Cerle Brugge KSV

Niet rechtover Cercles oefenvelden, maar tegenover Cercles enig oefenveld, met een vooroorlogse accommodatie.  Zowat alle jeugdwedstrijden werden op dat ‘patattenveld’ gespeeld.  Roep ik mijn prilste herinneringen op als kind, dan zie ik mij en heel de buurt onderduiken in de gracht van de dreef naar het kasteel van Dautricourt onder de dreiging die hoog boven ons te horen en te zien was. Klaarder voor ogen zie ik jonge Canadezen, bevrijders van onze regio.  Het waren jonge, goedlachse soldaten, en na sport en ontspanning op Cercles oefenveld, waren er telkens enkele die zich thuis bij ons kwamen wassen.  Of dat hun grootste gebrek was, weet ik niet, maar ze waren voorlopers van de hedendaagse nonchalance plein en straat met zwerfvuil te bedekken.  Ze lieten heel wat lege omhulsels achter, vooral van chewing gum en van Playersigaretten.  Het voetbal zat mij niet in de genen, mijn ouders hadden er niet de minste interesse voor, maar dag in dag uit ‘veroverden’ mijn kameraden en ikzelf het Cercleveldje, hoewel het verboden was en Benoni ons dikwijls ervan heeft ‘weggejaagd’.

De grootste attractie waren echter de zondagmorgenwedstrijden van twee jeugdploegen, en uitzonderlijk ook wel eens een oefensessie van het fanionteam.  Het duurde dan ook niet lang voordat ook ik meetrok naar alle wedstrijden van de Eerste Ploeg.  Al speelden ze van 1952 tot 1956 zelfs in Derde Klasse, ik verafgoodde al die balvaardige Cerclehelden.  Mijn eerste opstelletje dat ik als kind schreef, ik was toen tien jaar, was een juichkreet om wat ik rond het Cercleveld had mogen meemaken:  Cercle had White Star verslagen met 3-2.  Bij 0-2 achterstand scoorden onze Groentjes acht minuten voor het affluiten hun eerste doelpunt.  Bovendien wist ik heel goed dat White Star het vorige jaar niet tegen Cercle had gespeeld maar één seizoen daarvoor hier ons met 1-7 in de pan had gehakt.  Ik had er een krantenfoto van liggen in een schoen- of een margarinedoos.  En wie van die vroegste kleppers van mijn lagereschooltijd zie ik het eerst voor mijn ogen opduiken?  Dat zijn doelman Fernand De Corte, Maurits Crepain, Adhemar Slabbinck, kapitein Roger Claeys, Mon Verté, Pietje Roggeman, Joël Hoste en vooral goalgetter Marcel Pertry.  Ik herinner me een krantenkop in een Brugs weekblad: “Stel je voor, Cercle zonder Pertry!”  Kwam ik wie dan ook van deze spelers vandaag op straat tegen met hun gezicht van toen (!), ‘k zou hem onmiddellijk herkennen.

In 1956 werd Cercle kampioen in Derde met 47 punten, vijf punten voorsprong op S.V. Waregem, dat een hardnekkige rivaal was geweest.  Niet minder dan 30 van die punten veroverden onze favorieten op het eigen veld, wat betekent dat Groen-Zwart alle thuiswedstrijden won.  De namen van Cercles typeploeg tijdens dit seizoen griften zich levenslang als een refrein van een liedje in mijn geheugen, en ook in dat van mijn drie broers: Verleye, Roje en Crepain, Claeys, Slabbinck en De Caluwé, Derboven, Van Gassen, Loos, Thys en Schotte.  ‘Thys’ verwijst wel degelijk naar Guy Thys, de later hoog aangeschreven trainer van de Rode Duivels.  Guy begon zijn trainersloopbaan als speler-trainer bij Groen-Zwart.  Minstens een jaar lang hing er daarna een foto van de kampioenenploeg aan een muur van onze keuken.  Toen we die weghaalden konden we heel de foto bedekken op één oog van één speler na, en elk van mijn broers en ikzelf kon meteen trefzeker zeggen  aan welke speler dit oog toekwam.

In april 1953 verhuisde ons gezin uit het Kloosterveld naar De Nieuwe Gentweg in Brugge Stad.  Ik was bijna twaalf jaar, en zo woonden we op enkele stappen van  het werk van mijn vader, die meer dan veertig jaar portier is geweest in het Sint-Janshospitaal, tegenover de ingang van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, en ook dicht bij de middelbare school van de Frères.  De merkwaardigste wedstrijd die Cercle speelde van een seizoen dat in de jaren vijftig begon, was een match tegen Patro Eisden na het beëindigen van de reguliere competitie in 1960.  Het was een testwedstrijd om uit te maken welke van de twee tegenstrevers samen met kampioen Eendracht Aalst naar ’s lands hoogste Afdeling zou promoveren.  Het werd een snertwedstrijd.  De vele naar Mechelen gereisde supporters waren niet alleen ongelukkig omdat Cercle verloor, 2-1, maar ze konden hun ogen niet geloven hoe het slappe Cercle dat verdict zonder enige weerstand  had ondergaan.  Ook  waren velen kwaad dat het selectiecomité topschutter Hans Gerard niet had opgesteld.  Het stond als een paal boven water: daar klopte iets niet!  Ruim een jaar geleden interviewde ik Hans, en zwart op wit verklaarde hij dat Cercle die wedstrijd niet mocht winnen.  Merkwaardig genoeg promoveerde Groen-Zwart het jaar daarop wel naar Eerste, als tweede in de eindrangschikking, volgend op kampioen F. C. Diest.

En nu volgt voor menigeen die mij kent en dit komt te lezen wellicht een grote verrassing.   Van dat promoveringsjaar van Cercle heb ik persoonlijk niets meegemaakt.  How come?  Slechts weken na Cercles debacle bijna halfweg 1960 trad ik als kloosterling binnen bij de Frères, bij de Broeders Xaverianen.  Tijdens de eerste twee jaren, toen ik novice was, werd ik hermetisch van heel de buitenwereld afgesloten.  Novices konden zelfs hun voornaam niet behouden, maar dat was de verste van mijn zorgen.  Ik was zielsgelukkig als een jonge kloosterling, en tien jaar lang bleef ik ‘Frère Ignace’.  Na die noviciaatsperiode van twee jaar studeerde ik vier jaar in Leuven, waar de Frères een eigen huis hadden voor een kleine communauteit, en toen kon ik Cercle volgen ‘van verre’.  In 1966 studeerde ik af als licentiaat Germaanse Filologie, en ik kon onmiddellijk aan de slag als leraar in het Brugse Xaverianeninstituut aan de Mariastraat.  Na één jaar vervulde ik mijn verplichte soldatendienst, samen met tal van seminaristen en jonge kloosterlingen, acht maanden in de kazerne van Aalst en vier tussenin in het Brusselse militaire hospitaal als brancardier.

Dat jaar, 1967-1968, staat als een heel bijzonder jaar geboekstaafd in de Cercleannalen.  De laatste wedstrijd was thuis tegen Eendracht Aalst.  De eindstand was 0-1, waardoor niet Cercle maar de Ajuinen kampioen werden.  Wat bleek echter?  Op het scheidsrechtersblad had Aalst een haast onooglijke, onbenullig lijkende, administratieve fout gemaakt.  Diende Cercle klacht in, dan kon de uitslag van 0-1 wellicht omgezet worden in een 5-0 overwinning.  Op het groene veld was Aalst kampioen geworden, maar voor de groene tafel kon Cercle misschien het laken naar zich toetrekken.  Enkele leden van de Raad van Beheer vonden het moreel onaanvaardbaar op die wijze Aalst tot de dupe van hun onvoorzichtigheid te maken, en … als kloosterling kon ik na lang wikken en wegen niet anders dan hun mening te delen.  Robert Braet was toen Cercles voorzitter, en ik had hem enige jaren voordien, tijdens mijn Leuvense studietijd, enigszins van nabij leren kennen.  In onze communauteit was hij een conferentie komen geven over zijn stokpaardje, de visie van de toen zeer bekende Jezuïet, paleontoloog en theoloog, Teilhard de Chardin, die beoogde te overtuigen van de overeenkomst tussen de evolutieleer en de leer van het christendom.   Ik maakte van mijn hart een steen, en al zitten er weinig rode bloedcellen in een steen, toch was het met een bloedend hart dat ik een brief schreef naar Braet met de nare boodschap dat een klacht toch eigenlijk niet kon.  Wat Roberts houding was bij de uiteindelijke beslissing, klacht of geen klacht, weet ik uiteraard niet, maar na eerst ongegrond te zijn verklaard door het Sportcomité van de Belgische Voetbalbond en heel wat complicaties daarna, werd Cercles klacht in laatste instantie aanvaard.

Dat de meerderheid van de Raad van Beheer pro klacht had gestemd, kon eigenlijk niemand verwonderen.  Cercle kon een wel heel bijzonder argument voorleggen, een ‘verzachtende omstandigheid’ waarvan ook ik me van meet af aan bewust was geweest.  1965-1966 was een rampjaar voor Cercle geweest.  Cercle eindigde als laatste in Eerste Nationale en degradeerde niet naar Tweede maar naar Derde.  Waarom?  Ondervoorzitter Paul Lantsoght werd van vermeende omkoperij beschuldigd.  Ruim een jaar later werd hij door de Voetbalbond onschuldig verklaard en in ere hersteld.  Voor Cercle, echter, was het kalf verdronken, de onterechte extra degradatie kon niet meer herroepen worden.  Wat betekende die groenetafeloverwinning in 1968 ten slotte voor Groen-Zwart, twee jaar na het voorbije, onterechte debacle van dubbele degradatie?  Bij een reorganisatie van de afdelingen, zodat er maar één Tweede Nationale overbleef (uitgedrukt met de terminologie die onlangs gewijzigd werd) na Tweede A en B tijdens de voorbije jaren, kwam  ‘kampioen’ Cercle in Tweede  terecht in plaats van in Derde.

Ik stap over naar Cercles laatste drie decennia van het tweede millennium.  Meestal kabbelde onze Vereniging eerder rustig verder van seizoen tot seizoen, zij het uiteraard niet alleen met hoogtes en laagtes, met momenten van euforie en bittere teleurstelling voor de spelers en voor ons, supporters.  Na halfweg  1968 in Tweede  terecht te zijn gekomen en niet in Derde, voetbalde Cercle er drie seizoenen, en drie jaren later, in 1971 dus, promoveerde het als kampioenenteam naar Eerste. Cercle bleef er zeven jaar, maar daarna zakte het als voorlaatste naar Tweede.  Intussen was in 1975  heel de Cerclefamilie van het gezellige Edgard De Smedtstadionneke naar de ‘moderne’ terreinen van Olympia verhuisd, om wat er ter beschikking was te delen met de blauw-zwarte buren.  Voor de Cercleaanhang was de openingsmatch geen meevaller, de rood-groenen van A.S. Oostende namen met 1-2 de toenmalige maximale twee punten mee naar de kust.  In ’78-’79, één jaar na de degradatie, was het al Bingo.  Met één puntje meer dan S.K. Tongeren kwam Groen-Zwart als enige stijger weer terecht in de Klasse waar stamnummer 12 thuishoort, in ‘s lands hoogste Afdeling.

Niet minder dan 18 seizoenen beleefden spelers en fans er Cercles wel en wee: gemakkelijk te onthouden, van halfweg 1979 tot ’97.  Dat speelde zich dus voor de helft van de wedstrijden af op dezelfde voetbalmat als die van onze ‘grote buur’.  In derby’s was het niet altijd het hoogst gekwalificeerde team dat het laken naar zich toetrok.  Vóór die periode, in 1971- ’72, had Cercle op  Club een mooi 1-1 gelijkspel uit de brand gesleept, dankzij een onvergetelijk inhaaldoelpunt op een vrije schop waarbij Pierre Hanon scoorde op een nog nooit geziene wijze.  Carlos Desteurs vrije schop bestond uit een opwippertje van de bal naar de voet van Hanon  die naast hem stond en die het leer snoeihard tegen het Clubnet deed belanden.  Tijdens een eindseizoenwedstrijd van 1991-’92 sloten de Brugse teams een memorabele derby af met 5-5 als eindstand.  In de heenronde was het ook al een gelijkspel geworden, 1-1.  Maar wat een hemelse zaligheid werd het tijdens het volgende seizoen!  Tweemaal vernederde Groen-Zwart de buren met een 3-1 overwinning!  Op Cercle waren de drie doelpunten het resultaat van een hattrick.  Nodeloos u te vragen wie die uit zijn mouw had geschud!  Het was dezelfde aanvaller die naast Davy Cooreman en Christophe Lauwers ook nog scoorde op Club, en wie anders had dat kunnen zijn dan Josip Weber?

Een heel andere, onvergetelijke glansprestatie tijdens dat lange Cercleverblijf in Eerste, was de Bekerwinst, na een thrillerduel tegen Beveren op het veld van Anderlecht onder verschroeiende zomerhitte.  Na een aan de geel-blauwen licht toegekende strafschop minder dan tien minuten na de rust, compenseerde scheidsrechter Ponnet tijdens de allerlaatste minuut van de reguliere speeltijd zijn mildheid aan het adres van Cercles tegenstanders door ook een twijfelachtige penalty te fluiten voor Groen-Zwart.  Er volgden negen strafschoppen waarbij de bal telkens tegen het net stilviel.  Bij de laatste, de tiende , keilde het leer te pletter tegen de lat boven het hoofd van onze doelman Franky Mestdagh.  Het feest barstte los bij de ongelooflijk vele Cerclesupporters die naar het Astridpark waren gereisd en er deel uitmaakten van de 25.000 toeschouwers.  Tijdens het volgende jaar speelde Cercle bij ‘de Beker der Bekerwinnaars’ .  Helaas, na een hoopgevende 3-2 zege tegen Dynamo Dresden, beet Cercle in Oost-Duitsland met een 2-1 nederlaag in het zand.  

Welke Cerclespelers uit de dertig jaren voorafgaande aan 2000 bekleden een onuitwisbare plaats in het geheugen en het hart van vandaag niet zo jonge Cerclefans?  Niet noodzakelijk in de chronologische volgorde van hun spelen, denk ik aan keeper Zdenko Vukasovic, niet zó atletisch als zijn voorganger Willy Mortier, maar zo mogelijk een nog betrouwbaarder sluitstuk; de stormram die zich met armen en benen voorbij alle tegenstanders wrong, de haast clowneske Jürgen Tödebusch;  kapitein en latere professor aan de Gentse Universiteit, Franky Simon; de  vorige Anderlechtspeler die van alle voetballers het hoogste aantal keren kampioen speelde in onze hoogste Afdeling, Pierre Hanon; de Australische kopbalsterke kangoeroe, Edi Krncevic; de vaardige vals-trage Roemeen Ion Ionescu; de ‘gewichtige’ Prudent Bettens; de flitsende, nooit opgevende Deen Benny Nielsen; Nielsens landgenoot, Morten Olsen, voor wie het zelfs voor de neutrale toeschouwer de moeite loonde om naar Cercle te komen kijken, alleen al om hem te zien spelen; de jonge goalgetter, Franky Van Haecke, die wegens blessures nooit de kans heeft gekregen om voluit te laten zien wat hij in zijn mars had;  de andere, net als Franky, voormalige jeugdspeler, het wonderbare dribbeltalent, Bernard Verheecke; het gewezen Clubwonder, een zo mogelijk nog balvaardiger dribbelaar, Fernand Goyvaerts;  mijn ambitieuze oud-leerling John Vercammen - ook doelman Pol Decoussemaecker was een gewaardeerde oud-leerling; de onverzettelijke Bram van Kerkhof, met het mes tussen de tanden; de verrassend vaak doel-treffende Dirk Beheydt; Günter Nasdalla, die vanuit Duitsland dacht dat hij bij Club terecht zou komen, en in 1976 bij een 0-2 achterstand op enkele minuten voor het einde van een derby, twee prachtdoelpunten uit zijn mouw toverde, zodat dit burentreffen op een draw eindigde; de scoremachine Sören Skov, die Cercle te vroeg verliet om naar het buitenland te trekken;  de man van bijzonder vele seizoenen en wedstrijden in Cercleshirt, Geert Broeckaert; het Franse wonderkind, een talent dat Cercle onmogelijk lang kon vasthouden, Didier Six; de ook  vandaag nog altijd vurige Cerclefan, rots in de branding, Wim Kooiman; de rust brengende middenvelder met een ruime blik op elke spelsituatie, Paul Courant;  de back die zo nodig de bal over de tribune keilde, Peter Carly;  de aalvlugge wittekop, André Raes; de speler met gouden kruispasses, Kari Ukkonen; nog een oud-leerling, de vurige maar ietwat wisselvallige Jef Vanthournhout; twee Zambiaanse tovenaars, de onvolprezen Bwalya Kalusha en Charly Musonda; Didier Frenay, die zo balverliefd was dat ik mijn hart vasthield als hij te lang wachtte om uit te verdedigen; de vinnige doorzetter Alain De Nil; het unieke Kroatische trio dat geen enkele toenmalige Cerclesupporter kan vergeten: Josip Weber, ons Joske, die genoeg had aan het ruiken van het doelhout om te scoren - Branco Karacic, nog om veel meer te roemen dan om zijn reeks weergaloze vrijschoppen - Jerko Tipuric, vandaag niet minder op zijn eigen wijze actief als vlaggendrager van Koning Voetbal als in de vroege jaren 90 als Cerclespeler; Berkoe(tje), meer nog dan Kofi Mbeah een zwarte parel;  Tibor Selymes en nog boven die flitsende aanvaller uit, zijn Roemeense landgenoot Dorinel Munteanu; Geoffrey Claeys, over wie u een verrassend, zeer ‘menselijk’, portret voorgeschoteld kreeg in Shot, september 2013; het Cerclehart naar wie ik nog niet verwezen heb om hem ‘last but not least’ als leider van heel het défilé op te roepen -  dat kan slechts ons aller Jules Verriest zijn, Cercleleeuw van de twintigste eeuw.

Cerle Brugge KSV

De namenreeks hierboven plaatste me voor drie onverwachte moeilijkheden.  Vooreerst, ik dacht dat een verwijzing naar een handvol ex-Cerclisten zou volstaan.  Vervolgens bleek het een moeilijke, misschien wel delicate, keuze om te beslissen, wie vernoem ik en wie niet?  Tal van spelers verdienen het niet minder dan de geciteerde dat de schijnwerpers op hen gericht worden.  Terecht zouden ze in bovenstaande Groen-Zwarte processie naar voren dringen tot ze de plaats innemen die hun toekomt in de kopgroep.

En ten slotte: laat ik nog een lijst volgen van Cerclekleppers die het waar maakten na de degradatie in 1997?  Niemand minder dan Denis Viane maakt meteen zijn opwachting…  Al mag een bijdrage in Shot-on-line veel langer uitvallen dan in het vroegere Shotmagazine, ik wil dit ‘des Guten zuviel’  voorkomen, en nodig elke lezer uit zijn eigen versie met de namen van zijn Groen-Zwarte  favorieten voor eventuele publicatie naar Georges Debacker toe te zenden.

Hoe verging het mij nadat ik halfweg 1968 mijn militaire dienstplicht vervuld had? Ik bleef nog twee jaar als Frère les geven aan de Brugse Mariastraat, en daarna trad ik uit de Congregatie.  Ik kreeg de kans om docent te worden in het H.T.I., het Hoger Technisch Instituut, waarvan de naam later veranderde in Katholieke Hogeschool Brugge  Oostende, Hoge School die jaren later samen met andere Hogescholen opging in Vives.  Toen dat laatste zich voordeed was ik al met pensioen, op 60 jaar, na 3 jaar als lesgever bij de Frères en vervolgens 31 jaren, meer beroepsgericht, onder andere met het vak ‘Business Correspondence’, aan jonge, doorgaans ambitieuze studenten.  Niet lang na mijn uittrede in 1970, ging ik voetballen, wat ik ruim een decennium voorheen met ondermaats resultaat ook gedaan had bij de Cerclejeugd.  Met hart en ziel speelde ik nu  bij Ajax.  Bij Ajax?  Jawel, bij Ajax.  En ik kan u verzekeren dat het een goede caféploeg was, Ajax Daverloo!  Dat deed ik slechts tot wij trouwden, Greta en ik, in augustus 1973.  En ook tijdens die mooie twee jaartjes bij Ajax intrigeerde het Groen-Zwarte reilen en zeilen me veel meer dan de resultaten van het sympathieke oranje-zwarte Assebroekse Ajax.

Ja, het was voor al wie bij Cercle betrokken was een meeslepende maar zelden hartverwarmende periode, die tussen de degradatie in 1997 en de plaatsherovering  in Eerste, in 2003.  Hartverwarmend was het zelden, hoewel Cercle niet aan de noordpool terecht kwam.  Zes jaar lang was het in de hel van Tweede dat Cercle bij de aanvang van een nieuw seizoen door elke ploeg als de te kloppen tegenstander werd beschouwd en aangepakt.  Hoewel Cercle op de transfermarkt al deed wat haalbaar was, ontgoocheling volgde op ontgoocheling. Er was telkens ook een eindronde, maar Cercle kon er slechts één keer  aan deelnemen, en eindigde er warempel als hekkensluiter. Eind goed, al goed, in 2003 werd de kampioenentitel en -viering des te uitbundiger verwelkomd en gevierd.  De voorlaatste competitiematch vond plaats op het veld van Zulte-Waregem.  Bij winst kon  Cercle kampioen worden, maar een spannende thriller van de eerste tot de laatste minuut werd bij een 1-1 gelijkstand afgefloten.  ’t Is vreemd, maar van die wedstrijd herinner ik me het best van al wat een massa Cerclesupporters Cercle kwamen aanmoedigen en niet eens zo duidelijk hoe Cercle op achterstand kwam en uiteindelijk de dreigende nederlaag wist te voorkomen.  Ik  zie mezelf nog een week later door Tillegem van Loppem naar Olympia wandelen, niet helemaal gerust op stap naar de beslissende eindwedstrijd tegen Dessel Sport.  Ongelooflijk, maar aan de rust stond Cercle met 0-1 in het krijt.  Sébastien Stassin werd echter de reddende engel, met twee rake kopballen scoorde hij twee goals.  De buit was binnen, en voor het volgende seizoen stonden er eindelijk weer Brugse derby’s op de voetbalkalender van Eerste Nationale.

Mei 2003:  Weg uit de hel van Tweede Nationale.  Steeg Cercle ten hemel op uit die verschroeiend helse ondergrond?  Wie dat denkt, weet niet wat ‘voetbal’ is, in het bijzonder voor een Vereniging voor wie de goudstukken niet uit de lucht vallen.  Hoe ernstig Cercle zijn taak opvatte, blijkt al meteen uit de transfers van Nordin Jbari, Harold Meyssen, Milenko Milosovic en de speler die ik als balvaardige en nuttige pion nog het hoogst inschatte, Djordje Svetlicic.  Ook werden doelman Peter Mollez en onze huidige hoofdtrainer van de Beloften, Jimmy De Wulf, geleend bij Club.  Jimmy, ook nu nog dag in dag uit met voetbal bezig, had ik enkele jaren voordien in klas gehad.  Cercle had intussen voor mij, sinds mijn pensionering in 2001, een nieuwe, een ruimere betekenis gekregen. Een dimensie van de Vereniging waarvoor ik na 1960 nauwelijks oog had, speelde plots een grote rol in mijn beleven van het Cerclegebeuren.  Decennialang was ‘Cercle’ voor mij ‘het Eerste Elftal’ geweest, maar ik engageerde me nu als afgevaardigde bij de Cerclejeugd - de Cerclejeugd, die uiteraard  integraal deel uitmaakt van K.SV. Cercle Brugge.  Ik werd meteen délégué van onze toenmalige Uefa’s, later omgedoopt tot de U19, reeks die onlangs door de KBVB werd afgeschaft en door U18 werd vervangen. Ook een tweede engagement nam ik op mij. Georges Debacker haalde mij ertoe over om oud-Cerclespelers te interviewen voor de Shotrubriek ‘Retro’, en ten slotte werd ik ook medeoprichter en secretaris van de supportersvereniging ‘Cercle Lééft, Loppem’. Ik weid hier graag over uit, hoewel het vanzelfsprekend de resultaten van de Groen-Zwarte fanionploeg waren die wekelijks zonneschijn of onweer bepaalden.

Met Cercles oudste Jeugdteams, dat betekent van Uefa’s tot U18, hun trainers, kinés en medeafgevaardigden, beleefde ik bij benadering al hun wedstrijden, thuis en op verplaatsing.  Dat laatste, niet alleen in Oostende, maar af en toe reed de bus een weinig verder, naar Eupen of Virton bijvoorbeeld!   Alle collega’s-délégués werden goede vrienden, maar als ik slechts één vernoem, dan moet dat wel de onvolprezen Fernand Logghe zijn, die halfweg 2015 stopte als jeugdafgevaardigde na, asjeblieft, 34 dienstjaren.  Zelf begon ik met die taak bij het begin van 2001, en ik hield er noodgedwongen een paar weken geleden mee op.  Eerst en vooral, wat ik zopas een taak noemde, beleefde ik veel meer als een genoegen, als een vuurwerk van emotionele beleving en kameraadschap,  dan dat het mij een opgave zou  zijn geweest.  Tijdens enkele jaartjes voordat ik 75 werd, was ik van plan het bijltje erbij neer te leggen op die leeftijd omdat een paar andere jeugdafgevaardigden mij dat hadden voorgedaan.   Toen het zo ver gekomen was, kon ik dat niet. Ik dacht: “Wat doet dat getal ertoe?  Zolang ik het fysiek moeiteloos aankan, vooral zolang ik bij wie dan ook, spelers of heel de entourage, er niets van opvang dat ze zich wat minder gelukkig voelen met zo’n ‘oude vent’ in hun kielzog, ga ik ermee door.”  Niet één van de weinige haren op mijn hoofd had bij het begin van het nu lopende seizoen ook maar enigszins kunnen vermoeden dat ik na de winterstop een ander liedje zou zingen.

Aanvang september 2019: na een eerder onbenullig lijkende aanleiding bezoek ik de huisdokter, die ‘voor alle zekerheid’ er een bloedanalyse laat op volgen.  Wegens het resultaat ervan, onderga ik op 13 september een CT-scan.  En wat gebeurt er?  De hemel stort in.  Er woekert ‘een ding’ in mij, een pancreastumor.  Drie dagen later wordt de schroef ongenadig toegedraaid: die tumor valt niet te opereren.  Dat betekent: ofwel ‘nog’ zowat een halfjaar zonder chemo, ofwel misschien ‘zelfs nog’ drie of vier jaren met chemobehandeling…  Natuurlijk opteer ik voor dat laatste. Onze U-18 spelers stel ik op de hoogte van mijn situatie na een thuiswedstrijd tegen Antwerp.  Met de hand op het hart zeg ik hen: “Stond ik voor de keuze dat wat ik voorheb mezelf of om het even wie van jullie overkomt, dan zou ik voor die eerste mogelijkheid kiezen.”  Daar is niets heroïsch aan gelegen: ik ben 78, zij zijn om en bij 18.   Zo redelijk moeten we toch zijn, dat we met zo’n reuzengroot verschil in leeftijd rekening houden.  Nu kan ik me voorstellen dat enkele lezers denken: “Prima dat je hun dat hebt laten horen, maar dat je wat je daar gedaan hebt, ook uitbazuint aan al wie het maar lezen of horen wil, daar is toch een reukje aan.”

Tegen dergelijke achterdocht heb ik maar één verweer: “Ik héb hun dat gezegd, en ik kon het maar zo oprecht menen.”  Ik weid hier niet verder over uit, maar of ik nu als kankerpatiënt verder sta dan halfweg september vorig jaar, vooral in welke zin eventueel, is niet duidelijk.  Alleszins had de chemo een gunstiger resultaat kunnen hebben dan momenteel duidelijk is. Dat moet ik zeker toevoegen: in de gegeven omstandigheden, kan ik onmogelijk beter omringd zijn.  Greta, mijn vrouw, is verpleegster van beroep en sinds de oprichting ervan in 1993 is zij vrijwilligster bij de Palliatieve Eenheid, eerst in het Minnewater, nu al een heel tijdje gevestigd bij de Zwartzusters in centrum Brugge.  Bovendien zijn familie en de meest nabije Loppemse buurt zo hulpvaardig als ik het maar kan wensen.

Over naar Shot, interviews van oud-Cerclespelers. Ook hieraan is nu al een definitief slot gekomen.  Over ruim achttien jaren gespreid, heb ik via interviews  83 spelers die ooit in groen-zwarte outfit streden voor Cercle-overwinningen, van meer nabij leren kennen.  Daarnaast ook één gewezen trainer: recordhouder Han Grijzenhout.  De eerste in de spelersrij was Günter Nasdalla, de laatste Bram Vandenbussche.  Doelbewust hield ik de frequentie van die interviews laag, maar ik besteedde er veel tijd en zorg aan.  Nooit leverde ik een tekst bij mijn hoofdredacteur af voordat ik elke zin, elk woord, had gewikt en gewogen.  Lees ik een interview van enkele jaren geleden wel eens opnieuw, dan ben ik er telkens verrast over dat het zo goed in elkaar steekt.  Ach, we moeten de enkele talenten die we hebben toch niet onder stoelen en banken steken… ‘k Denk niet dat ik één geïnterviewde te kort doe, als ik toevoeg dat ik twee van de interviews bijzonder  hoogacht, dat van Paul Courant in het vijfde Shotnummer van 2006-2007, en dat van Pierre Hanon in de eerste Shot van 2010-2011.

In het nummer 9 van Shot 2006-‘7 waagde ik me aan een interview van iemand anders dan een ex-Cerclespeler.  Het werd: “Cerclesupporter interviewt … zichzelf”, en in Shot 5 van december 2007 had ik het over: “Leve Cercletje: Cercletje is van ons!”  Glen De Boeck had er bezwaar tegen dat Groen-Zwart in de media als ‘Cercletje’ benaderd werd.  Ik verdedigde het gebruik van het verkleinwoord op basis van een taalkundig feit.  Verkleinwoorden kunnen twee verschillende functies hebben.  Doorgaans wijzen ze  erop dat iets klein is of van een geringe hoeveelheid binnen de eigen soort, maar ze kunnen ook terecht gebruikt worden als ‘affectieve varianten’.  Dan verwijzen ze niet naar klein of weinig, maar ze drukken uit dat het hart van de spreker warm draait voor wat of wie hij ter sprake brengt.  Wie zou erom treuren dat het ‘slechts’ zijn broodje is dat gebakken is?  Of wie springt financieel minder ver als hij een aardig duitje verdient dan met een aardige duit?  Is het al te gek als een vrouw(tje) haar man die een basketreus is, bewierookt omdat hij toch zo’n schatje is, dat ventje van haar?  Ik citeer de slotzin van dit artikel(tje):  “Ik kan dit artikel niet besluiten zonder mijn eigen standpunt te relativeren.  Zelf heb ik een uitgesproken voorkeur om waar het past met het warme ‘Cercletje’ voor de dag te komen. Mocht het echter zo zijn dat u, lezer, ‘Cercletje’ als kleinerend aanvoelt - alle taalwetenschap ten spijt - mocht u het dus als schadelijk voor het Cercle-imago opvatten, dan doet u er goed aan heel voorzichtig met dat troetelnaampje om te springen.

Bij communicatie is tenslotte belangrijker hoe het bij de aangesprokene overkomt dan hoe de spreker het opvat.  In het begin van 2012 nodigde ik vader Roger en zoon Patrick Notteboom uit, allebei oud-Cerclespelers, voor een interview dat ik in Olympia afnam.  Bij deze gelegenheid nodigde ik ook twee van Rogers joviaalste vroegere Cerclemedespelers uit voor een gezellig praatje, Gilbert Bailliu en Philemon Desmaele.  Ik moet niet verhelen dat het eerste wat Gilbert me zei, me ‘deugd deed’.  “Maar Georges toch,” zei hij, ben jij nu nog altijd met Cercle bezig!”  Toen ik nog in het Kloosterveld woonde, was Gilbert bij ons een vriend aan huis.  Enkele jaren lang belde hij ’s morgens vroeg bij ons aan, om dan samen met mijn oudste broer, Hubert, naar school te fietsen, naar de Frères in de Mariastraat. Terwijl ik de vorige zin neertik, wordt er aan de voordeur aangebeld.  Greta krijgt een prachtig bloemstuk aangeboden.  Wat lees ik op het kaartje?  “Veel beterschap, Cercle Brugge, Vincent Goemaere.”  Dank je, dank je, Voorzitter!!  En dat biedt mij meteen de gelegenheid om heel graag toe te voegen dat dit niet de eerste schitterende attentie is vanwege Groen-Zwart.  De U-18’ers zonden me een zo mooie Cerclekaart dat ik niet wist dat zo’n prachtige bestond. Onderaan lees ik: “Al 121 jaar de trots van Brugge.”  En wat haalde ik een week geleden uit de brievenbus?  Een grote, bruine omslag, met daarin zeven sympathieke wenskaartjes vol handtekeningen van Cerclespelertjes van alle andere Groen-Zwarte jeugdploegen.  Ik ken die ambitieuze voetbaltalentjes niet persoonlijk, maar het zijn hoe dan ook jongeren voor wie ‘Cercle Brugge’ levenslang een bijzondere betekenis zal hebben.  Anderzijds roept deze gedachte bij mij zowat de enige ontgoocheling op die ik heb gekend als jeugdafgevaardigde.  Ik heb moeten vaststellen dat spelen bij de Cerclejeugd lang niet voor iedereen betekent dat zijn hart klopt voor ‘Cercletje’.

Hoe dan ook, voor zowat elke (ex-)jeugdafgevaardigde is de mogelijkheid te verwijzen naar speler(tje)s die het tot in het Groen-Zwarte fanionelftal wisten te schoppen, de parel op de kroon van zijn inzet.  Zelf kan ik hierover niet klagen.  Vooral recentelijk zijn er heel wat ex-U19’ers die dat doel konden bereiken.  Dat Bernd Storck het trio Arne

Cassaert, Calvin De Cuyper en Thibo Somers meteen inzette bij het grote werk, wordt door heel de Cerclefamilie gewaardeerd, al konden zij uiteraard geen wonderen verrichten.  Voor mij zijn zij in tijdsverband de meest nabije telgen die deel uitmaakten van een lichting U-19’ers van wie ik een van hun délégués mocht zijn.  Hoe bijkomstig het volgende detail ook mag zijn, ik vermeld het omdat ik het zo waardeer: in mijn bureau hangt er een werkelijk kunstzinnige pentekening van een Brugs brugje, aan het papier en daarna aan mij toevertrouwd door Thibo’s nonkel en peter, oud-Cerclespeler Ghislain Somers.  Hij gaf het mij mee nadat ik hem interviewde in 2011.  Ghislain stierf in juli 2015.  Een jonge speler in wie vele van zijn beloftevolle leeftijdsgenoten, ikzelf trouwens ook, een uitzonderlijk talent (h)erkennen, is Olivier Deman.  Olivier heeft niets kunnen bewijzen tijdens de korte beurten tijdens welke hij daar eventjes de kans toe kreeg bij het Eerste Elftal.  Is het waar dat olie uiteindelijk altijd boven drijft, blijft Olivier er zelf in geloven en er al het mogelijke toe doen, dan wacht hem een heel mooie toekomst.  Bij de volgende (ex-)Cerclisten met wie ik in de kleedkamers en naast het veld als afgevaardigde kameraadschappelijk omging, laat ik telkens een jaartal volgen op hun naam.  Het is de weergave van het jaar waarin zij debuteerden bij ‘de grote jongens’.  Ook dit moet ik vooraf zeggen: Voor zover ik hen beoordeel, gaat het uiteraard om de subjectieve visie van één man, een persoon ‘buiten de lijnen’ .  Het zal verder blijken waarom ik die laatste drie woorden tussen aanhalingstekens plaats.

Charles Vanhoutte (2019), een leuke gezel voor medespelers en begeleiders, staat nog maar aan het begin van zijn voetbalcarrière.  Snuggere bolleboos als hij is, zal hij wel telkens de juiste beslissing weten te nemen als hij voor keuzes wordt geplaatst.   Robbe Decostere (2019), zie ik als bijzonder wilskrachtig, iemand die nooit opgeeft.  Guillaume De Schrijver (2016), heeft misschien wat meer spelinzicht, maar ook hij moet het vooral van zijn inzet hebben.  Het is Ayron Verkindere (2014) niet in alle omstandigheden mogelijk zich goed te beheersen, maar op zijn minst kan hij zwaar wegen op elke verdediging.  Welke Cerclefan treurt niet meer om de al te vroege transfer van Mathieu Maertens (2014)?  Uitzonderlijk was zijn keurig positiespel met verrassende wendingen en passes, wat hij grotendeels aan zijn helder spelinzicht te danken had.  Heel terecht bezorgden de Cerclesupporters hem in 2015-’16 ‘de gouden Cercleschoen van d’Echte, als winnaar van de Pop-Poll.  Dat Jilke De Coninck  (2013) Cercles fanionelf bereikte, tot zevenmaal toe, had hij overwegend aan zijn enthousiaste verbetenheid te danken.  Ik kan me niet indenken dat de poort naar een begerenswaardige toekomst voor hem, wellicht niet in ’s lands hoogste afdeling, niet open zou staan.  Gilles Dewaele (2013) trad 63 keren op in Groen-Zwarte outfit.  Was hij daarna niet naar Westerlo getrokken, dan kon hij wellicht ook nu nog zowel als verdediger als aanvaller een nuttige pion zijn in het Cercleteam.  Arne Naudts (2011) zette zich niet minder dan 93 keren strijdlustig in voor Groen-Zwarte puntenoogst.  Zijn meest memorabele goal scoorde hij op de 94ste  minuut van een voor het behoud belangrijke thuiswedstrijd tegen K.V. Mechelen.  Toen de 87ste minuut aanbrak stond Cercle nog 0-2 in het krijt.  Ongelooflijk, met Arnes goal won Cercle uiteindelijk met 3-2.  Dit speelde zich af laat in februari  2014.  Geen mens ter wereld had kunnen vermoeden dat één jaar later zich eenzelfde scenario zou afspelen tegen dezelfde Maneblussers, maar nu in hun voordeel.  Ingeleid werd hun zege door een volstrekt onterecht toegekend doelpunt bij een schrijnende off-side van de scorende Mechelaar.  Voor Cercle was het fataal: na Play-Offs volgde degradatie naar 2e Klasse.

Karel Van Roose (2010) verdedigde de Cerclekleuren in 124 matchen.  Dat zijn er nog meer dan op Arnes teller, maar evenmin als Arne slaagde hij erin een onmisbare pion van het team te worden.  Zijn vader heeft me meer dan eens verteld hoe lastig hij het daarmee had.  Een dik verdiend eresaluut breng ik nu aan Lukas Van Eenoo (2008).  Zou Mathieu Maertens mank-lopen als hij met zijn gouden Cercleschoen aan mocht voetballen, Lukas zou het bij dergelijk experiment minder kwalijk vergaan, want hij eindigde tweemaal als winnaar van de Pop-Poll.  Allicht heeft hij voor een rechter- en een linkerschoen geopteerd…  Welke Cerclefan treurde er niet toen onze goedlachse, sympathieke Lukas een jaar na winst van zijn tweede trofee naar K.V. Kortrijk trok?!   Rubin Dantschotter (2006), wiens vader, Johan, reeds heel lang jeugdafgevaardigde is, vrij lang nu al van ons Beloftenteam, stond twintig keren tussen de palen en onder de lat in het Cercledoel.   Acht keren deed hij dat tijdens Cercles glorieseizoen, 2007-2008, onder Glen De Boeck.   Zoiets meemaken, dat moet overrompelend geweest zijn!  Matthias Feys (2004), een telg uit de Yves-Feysfamilie, had  als veldspeler en vrij lang ook als kapitein van de U-19 overtuigend bewezen dat hij, eerder klein van gestalte, niet weg te denken was uit dat team, voordat hij bij ‘de grote jongens’ dertien caps verzamelde.  En wie verschijnt nu ten tonele?  Niemand minder dan Smetje (2003), Stijn De Smet volgens zijn identiteitskaart, en hij legt ons de getallen 164 en 35 voor.  Menige lezer denkt nu dat die getallen respectievelijk verwijzen naar het aantal gescoorde doelpunten en vervolgens naar het aantal wedstrijden die hij voor Cercle speelde.  Neen, zoveel beter dan Josip Weber hem voordeed, deed hij het niet.  Ik herinner me heel goed dat hij indruk maakte op mij bij de eerste jeugdwedstrijd die ik hem zag spelen.  Het was meteen duidelijk: dat is iemand die kan voetballen als niet één van de andere veldspelers hier.  Stijn was een vriendelijke kerel, en na zijn Cercletijd heb ik hem niet dikwijls meer gezien, maar als hij me zag, moest hij niet naar mijn voornaam zoeken om mij van ver al te begroeten.  Terloops, het medisch team dat instaat voor Cercles Eerste Ploeg, omvat onder meer vier kinesisten.  Twee van hen verwierven  die professionele functie nadat we hen een hele tijd  hun job zagen inoefenen bij de U-19: Bert Vankersschaever, en Lennart De Smet, die een neef is van Stijn.  Het andere tweetal kenden we als spelers bij de U-19:  Bert De Ruyter en Jasper Ameye.  De eerste gewezen U-19’er wiens délégué ik mocht zijn, uiteraard samen met Fernand Logghe, was Kenneth Notte (2002).  Hij haalde veertien selecties. Een of twee jaren geleden sprak hij me aan bij een thuismatch van Groen-Zwart, en ik zei hem: “En voor Cercle supporteren, hé!”  Hij keek me verbaasd aan: “Dat zál wel!  Wat ánders?”, repliceerde hij.  Het was duidelijk dat ik hem ‘een retorische aanbeveling’ had voorgehouden (indien er niet alleen retorische vragen bestaan).

Heb ik ook Miguel bij onze U-19 weten spelen?  Het antwoord is: “Ja, maar, voor zover ik me herinner, kwam hij ons team slechts één keer versterken.  Verder hebben wij geen contact met elkaar gehad, het zou me zelfs verwonderen dat hij zich mij kan voorstellen.  Maar dat is niet wat er vandaag over Miguel te vertellen valt.  Wat wens ik je moed, doorzetting, volharding, Miguel, zoals je al bewezen hebt dat je die kunt opbrengen!!

Hoe lastig het parcours ook mag worden, heel Groen-Zwart, heel sportief België, vertrouwt op “Derde keer, goede keer!”

Dat ik het in 2001 op  verzoek van Georges Debacker op mij nam ex-Cerclespelers te interviewen lag voor de hand, want mijn jongste broer, Antoine, verzorgde dan al vele jaren lang een Shotrubriek. De titel kwam u al terloops te lezen.  Die was: “Buiten de lijnen”, en hij ondertekende het als ‘Antwan’.  Hij heeft dat bijna dertig jaar gedaan. Als het mogelijk was geweest, was hij daar nu nog mee doorgegaan.  Hij overleed op 30 november 2013 ten gevolge van slokdarmkanker. Een onloochenbaar kenmerk van zijn persoonlijkheid was zijn tomeloze creatieve zin voor humor.  Bij de jaarlijkse samenkomst van Shots redactieraad was hij het die keer op keer onze lachspieren bombardeerde.  Knappe, ‘geestige’ spitsvondigheden lagen hem op het puntje van zijn tong.  Het was nog dagdagelijkse humor toen onze oudste broer liet weten dat hij en zijn vrouw elke dag genoten hadden van niet minder dan dertig graden warmte in Benidorm, en Antoine repliceerde: “Maar dat was juist hetzelfde als bij ons. Hier was het vijftien graden in de voormiddag en vijftien in de namiddag!” Maar bij de diagnose van zijn kanker, toen hij heel goed wist waar hij aan toe was, schrok hij niet terug van, ja, van cynische galgenhumor. Wat liet hij horen?  “Och, met een beetje zin voor …”, en daarop volgde niet het woord dat iedereen verwachtte: humor.  Neen: “Met een beetje zin voor chemo, kan het nog wel best gezwellig zijn.”  Niet alleen cynisch, banaal bovendien?  Kwam die zin uit de mond van iemand anders dan de tragisch getroffene, dan was het zo geweest, maar het komt heel anders over als het die persoon zelf is die zo spreekt, en dat met fonkelende ogen.  Toen hij vier dagen voor zijn dood hoorde dat wij het hadden over zijn gehuurd elektrisch te bedienen bed, kwam er een glimlach over heel zijn gezicht, en hij zei: “Ja, daar verhuren ze zulke bedden.  En ze hebben er niet alleen elektrische bédden, ze hebben er ook elektrische stoelen.” ‘k Vond dat iets minder luguber, wat afstandelijker, dan het vorige, maar het bijzondere was dat zelfs toen tintelend plezier oplichtte in mijn broers ogen.  Ook na maanden waarin hij geen beet meer binnenkreeg, genoot hij duidelijk van de spitsvondigheden waartoe zijn intellect nog in staat was.  Heb ik ook iets weg van zijn wijze om met humor miserie te relativeren?  Ja, maar hoewel Antoine vijf jaar na mij geboren is, daarin was ik de kleine broer en hij de grote.  Dit mag ik wel vertellen: drie keren trok ik naar een chemobehandeling die niet doorging omdat ik te weinig witte bloedcellen had.  Menigeen heb ik verzekerd dat de laboranten bij de bloedanalyse hun ogen niet konden geloven, hoewel het vanzelfsprekend was wat ze te zien kregen. Op enkele na, troffen ze er alleen groen-zwarte bloedcelletjes aan!

Uitgebreid over nu naar ‘de Vereniging’  in de eenentwintigste eeuw, na zes jaar eerder hel dan vagevuur in Tweede?  Uiteraard vindt u daarover in “115 jaar Cercle Brugge in een notendop” ruim het essentiële, en via vele media kunt u alles te lezen krijgen dat u ter zake wenst voor ogen te krijgen.  Tot mijn genoegen moest ik echter zovele  eenentwintigste-eeuwse ‘parels op de kroon’ van mijn Cerclebeleving als afgevaardigde van de U-19/18, even laten defileren, dat ik er stilaan(!) moet aan gaan denken, of ik niet een redelijke lengte van een Shotbijdrage aan het overschrijden ben.  Na wat ik hierboven in deze alinea vermeldde, lijkt me expliciet uitweiden over Cercles Eerste ploeg na 2003 niet nodig, zodat ik het als aanvaardbaar zou mogen beschouwen als ik meteen deze tekst afsloot.  En toch, toch zou het zonde zijn als ik niet twee beschouwingen, zij het van een heel andere aard, toevoegde.  Die acht ik zo belangrijk dat u anders weliswaar meer dan een glimp voorgeschoteld kreeg van de Cerclefan die ik ben, maar er geen idee van kunt hebben wat Cercle uiteindelijk voor mij te beteken heeft (gehad).  Hoe hoge plaats Cercle ook inneemt in de hiërarchie van wat mijn leven en mijn beleven uitmaakt, twee bestaansdimensies nemen een plaats in die boven ‘Cercle’ uittorent.  Beide toevoegingen laten zien hoe relatief de impact van Koning Voetbal met alles erop en eraan wel is in het kader van heel mijn existentie.

Een anekdote vooraf:  Een tafereeltje van toen ik waarschijnlijk  vijftien jaar was, herinner ik me bijzonder levendig.  Na een thuiswedstrijd van Cercle wandelde ik naar huis in Brugge Stad.  ‘k Was juist voor de Smedenpoort toen een gedachte me overviel.  Door mijn hoofd speelde zich de vraag af:  “Al goed en wel met Cercle, maar als ik dood zal gaan, wat een belang zal het dan nog hebben in welke reeks Cercle daarna uitkomt?”  Op die al te egocentrische vraag ga ik niet verder in, maar het feit dat zoiets mij door het hoofd ging, illustreert toch wel dat ook toen al mijn wereldje niet alleen uit Cercle Brugge bestond.

Als het  paste bij het einde van een interview vroeg ik ex-spelers of ze Voetbal het belangrijkste in hun leven vonden.  Hoewel velen van het spelletje met het ronde ding ‘bezeten’ waren, toch zegden ze zowat allemaal dat het gezinsleven voor hen de hoogste prioriteit uitmaakt.

Ook bij mij staat mijn gezin en het familieleven, vanzelfsprekend, hoger gequoteerd dan wat toch, hoe meeslepend ook doorleefd, slechts een smaakgever aan ons dagdagelijks bestaan kan zijn.  Eén illustratie spreekt boekdelen. In 2013 was er ongeveer anderhalve maand lang iets dat ik kon vertellen aan iedereen van wie ik wist dat hij/zij er interesse kon voor hebben, en dat deed ik dan ook laaiend enthousiast, fier als een pauw.  Ik liet horen: “Greta en ik hebben vier kinderen en acht kleinkinderen.  Er is één van die kleinkinderen die, had het kunnen spreken, had  mogen zeggen: ‘Ik ben nul jaar. Een ander kon beweren: ‘Ik ben één jaar’, het derde kon prat gaan op zijn leeftijd van twee jaar, het volgende van drie, en zo gaat het verder, de andere waren respectievelijk vier, vijf, zes en zeven jaar.”  Ik vond dat prachtig!  Maar wat zou het doorbreken van die ketting bij de geboorte van het negende en laatste kleinkind tweeëneenhalf jaar na de geboorte van het achtste ook maar enigszins de vreugde getemperd hebben!

Cerle Brugge KSV

Over het tweede dat dieper, veel dieper, ingraaft in mij dan ons geliefde Groen-Zwart, kan ik muren en vensters volschrijven.  Ik zei het al, broer Antoine schreef tal van artikels in Shot onder de titel: “Buiten de lijnen”.  Ik weerhoud me ervan buiten de lijnen van Shot-on-line te gaan, en beperk me tot het minimum dat ik ter zake niet kan nalaten te laten volgen.  Omtrent wie tien jaar kloosterling is geweest, zou het niemand mogen verbazen als hij nu dit neerschrijft: “Er is niets dat dieper in mijn leven ingrijpt dan mijn  zoektocht op rijpere leeftijd naar wat het uiteindelijk betekent ‘een mens te zijn op aarde’.”  Wat omtrent diezelfde persoon misschien wel kan verwonderen, dat is niet dat hij het leven niet meer exact beschouwt zoals zestig jaar geleden, maar dat hij decennia later zelfs zo’n radicaal proces heeft doorgemaakt dat dit resulteerde in een ommezwaai van niet minder dan honderdtachtig graden.  Het zou me niet moeilijk zijn dit concreter te omschrijven, maar gezien het medium dat ik benut, moet ik me hic et nunc wel tot  deze enkele woorden beperken.  Wat nu volgt mag niemand als een uitnodiging beschouwen, maar om niet helemaal onbereikbaar te zijn, voeg ik mijn e-mailadres toe: georgesvolckaert@gmail.com.

Ik begon dit artikel op 25 januari.  Het is intussen 4 februari geworden.  Zoals iedereen weet, beleven mensen in een situatie zoals die van mij, verrassend veel genoegen aan de kleinste meevallertjes die hij/zij meemaakt.  Typisch is vooral het ‘eindelijk’ beter functioneren van de meest banale lichamelijke functies.  Maar zelfs dromen kunnen een leuk opkikkertje zijn.  Ik droom veel, heel veel, ’s nachts en tijdens het wegdoezelen bij het rusten overdag.  Vanmorgen werd ik met een glimlach wakker.  Welk droomgebeuren had zich juist voor mijn ogen afgespeeld?  Ik hield één enkele druif vast in mijn hand juist boven een glaasje water.  Plots plofte die druif neer in het glas.  Ik wou haar eruit halen, en wat hing er aan mijn vingers?  Al heet ik niet Nicholas, ik trok een mooie tros druiven omhoog, groter dan het glaasje ooit had kunnen bevatten.  Ik hoefde er geen symbolische betekenis bij te verzinnen - al kon ik dat niet nalaten - om een warmtegolfje door me heen te voelen vloeien.

Als besluit citeer ik graag  de tekst waarmee ik in april 2006 “Cerclesupporter interviewt … zichzelf” afsloot.  Ik schreef dat fake-interview nadat ik kort voor een Brugse derby even voor Canvas geïnterviewd werd door een ‘echte’ interviewer.   Op een gegeven ogenblik had die man het bij een vraagstelling over ‘Brugge’, en het was duidelijk dat hij daarmee ‘Club Brugge’ bedoelde.  Ik haakte daarop in en zei met klem dat het niet juist is met ‘Brugge’ zomaar Club te bedoelen, dat Cercle in geen enkel opzicht minder ‘Brugge’ is dan blauw-zwart. Misschien zelfs zou het tegenovergestelde eerder de nagel op de kop zijn.  Op het einde van het interview van mezelf wou ik verdedigen dat ik het aangedurfd had die bijdrage aan de hoofdredacteur te bezorgen voor publicatie in Shot.  Sommige lezers konden dat wellicht als ietwat verwaand beschouwen.  Ik eindig nu hier met het uitgebreide citaat van wat voorkomt op het einde van dat schijninterview, omdat  ik me kan indenken dat ook lezers van dit artikel, allicht wegens de lengte ervan, kunnen van mening zijn dat ik mijn boekje te buiten ga.  Hoe dan ook,  zoveel ruimte in Shot-on-line heb ik niet opgeëist, mijn hoofdredacteur heeft me die gegund.

Wat volgt is dus het slot van het interview van mezelf.  Eerst is de fictieve interviewer, ben ik dus zelf, aan het woord, en dan volgt mijn repliek.  “Om af te ronden wou ik je nog zeggen dat het toch wel vermetel is van jou om zomaar op eigen initiatief jezelf te interviewen.  Wat een lef!  Hoe waag je het?  Jij bent me nogal eens een durver!”  “Ja, dat is nu echt wat je moet doen: mij een durver noemen!  Als ik dat hoor, kan ik niet beletten dat er zich een glimlach op mijn gezicht afspeelt…  Mag ik even illustreren wat voor een durver ik ben?  Vóór het interview had ik me op één mogelijke vraag heel goed voorbereid.  Ik wist woord voor woord wat ik zou antwoorden als de interviewer me vroeg hoe het te verklaren valt dat er zo’n groen bloed door mijn aderen vloeit.  Van het antwoord had ik elk element goed vooraf ingeoefend: niet alleen de woorden, zelfs de intonatie, een nauwkeurig getimede minipauze op het juiste moment, mijn gelaatsuitdrukking.  En ja, hoor, de interviewer stelde de verhoopte vraag.  Ik moest dus het antwoord niet zoeken: ‘Ja, hoe het komt dat Cercle me zo fascineert?  Wel, als kind woonde ik in het Kloosterveld te Sint-Andries.  Ik woonde daar rechtover het oefenpleintje waar honderden Cerclejongeren destijds hun opleiding kregen.  In feite woonde ik zo dicht bij het Cerclepleintje, zo dicht erbij, dat ik heel gemakkelijk vanuit het raam van mijn slaapkamer op het pleintje kon plassen … ja, soms héél grote plassen, water zien liggen als het fel geregend had.’  Niemand heeft me dat op tv horen zeggen.  Heeft de censuur van Canvas het weerhouden?  Neen.  Op het nu-of-nooit moment zonk alle durf mij tot aan de zolen van mijn schoenen…”

Leve Cercle(tje)!                                                                                                                                                                                           Georges

Bedankt voor alles, Georges.                                                                                                                                                             Georges Debacker
Hoofdredacteur

Gerelateerde nieuwsberichten

Cerle Brugge KSV
SHOT sprak met … Dany Verlinden

Twee jaar geleden “spoelde” Dany Verlinden aan langs de groene kant van Jan Breydel.  Enigszins een verrassing want de Europese recordhouder (zie verder) bracht het grootste deel van zijn carrière langs de noordelijke kant van het stadion door.  Her en der was er wat gemor in de groene gelederen, maar het stormpje ging al snel liggen en ondertussen voelt Dany zich hier goed thuis.
Tijd voor een gesprekje dus.

Dany, je kende slechts drie ploegen (jeugdwerking inclusief) in je actieve carrière, als profvoetballer zelfs slechts twee.  Je bent behoorlijk honkvast?

Ik startte met voetballen bij de jeugd van Ourodenburg en vervolgens vanaf mijn twaalf jaar bij Lierse waar ik alle jeugdrangen doorliep en in de A-kern terechtkwam.  Ik bleef bij Lierse tot mijn 25e, waarna ik in 1988 vertrok naar Club.  Daar speelde ik tot 2004.  Van 2004 tot 2011 bleef ik er als keeperstrainer.
Honkvast?  Nu, dat was wel zo in die tijd.  Je was als speler eigendom van de ploeg en de spelers bleven ook langer bij die ploeg.  Er gebeurden wel transfers, maar toch heel wat minder als nu.  Nu ben je vrij als je einde contract bent en ga je waar je wilt.  Dat was vroeger bij ons niet het geval.

Je palmares is niet min.  Vijf maal kampioen, vijf maal Bekerwinnaar, tien maal Supercupwinnaar en tweemaal “keeper van het jaar”.  Maar ondanks dat palmares heb je maar één “cap” als Rode Duivel?

Op dat ogenblik was er een generatie van heel goede jonge, en iets minder jonge, keepers.  Vande Walle, Preud’homme, De Wilde, Bodart, noem maar op.  Als je in die generatie valt is het vaak moeilijk.  De bondscoach moet keuzes maken.  Je hebt er immers maar één in doel en één op de bank nodig.

Lees meer
Cerle Brugge KSV
Feest Groen-Zwart Varsenare

Op vrijdag 7 maart, daags voor de derby, vond het jaarlijks feest van Groen-Zwart Varsenare plaats.
Deze vereniging had niet voor het eerst een feest een dag voorafgaand aan een belangrijke en bepalende wedstrijd (zowel qua kampioenenviering als degradatie).  Telkens met succes. Nu ook zo bleek ’s anderendaags. We wonnen de derby niet, verloren met een “eervol resultaat”, maar vooral, we blijven in 1A.

Lees meer
Cerle Brugge KSV
Praatje met een speler - Marton Eppel

‘Focussen op de twee komende wedstrijden’

In de aanloop naar de derby had ik ondermeer een gesprek met Marton Eppel.  Deze Hongaarse international belandde na Nieuwjaar aan de groen-zwarte kant van het Jan Breydelstadion.  Hij tekende een contract tot het einde van het seizoen.  Deze 28-jarige spits heeft er al een rijkgevulde carrière op zitten.  Naast het redden van Cercle Brugge heeft hij in zijn carrière ook nog wel wat doelen.  Zowel op clubniveau als met de Hongaarse nationale ploeg. 

Marton, je bent 28 kun je eens je carrière vluchtig schetsen voor onze lezers?
 

Lees meer
Cerle Brugge KSV
Een Groen-Zwart/Blauw-Wit nestje

Als ik mijn oor te luisteren leg dan begrijpen de Cerclesupporters niet dat de wedstijd tussen Cercle en AA Gent komend weekend beschouwd wordt als een “risicowedstrijd”, dit tevens met alle praktische ongemakken van dien.
Ik meen me geen ernstige incidenten te herinneren in de goed 53 jaar dat ik present teken op Cercle.  Al evenmin zal dit goed begrepen worden in de familie De Backer – De Zutter.

Goed vijf jaar geleden publiceerden we in SHOT een artikel betreffende Stijn De Backer en Mieke De Zutter.  De vader van Stijn, Martin, is reeds jaren de voorzitter van de “Westbuffalo’s”.  Dit is de West-Vlaamse supportersvereniging van de Gentenaars die reeds 30 jaar bestaat.  Stijns toenmalige vriendin, Mieke, komt uit een Cerclenest.  “Toenmalige vriendin”, want ondertussen zijn ze reeds ruim vijf jaar gehuwd.  Sinds negen maand is ook Eleni er bij gekomen.  Dat ze nog steeds trouw blijven aan “hun eigen kleur” bewezen de foto’s van Eleni met respectievelijke Buffalo- en Cercleslabbetjes die ik toegestuurd kreeg.  Hier houden we het bij de foto met de herinneringssjaal van onze laatste Bekerfinale en een foto van Mieke met haar schoonvader Martin.

Voetbal kan een feest zijn (en hopelijk zondag dat ietsje meer voor Mieke dan voor Stijn en zijn vader…)!

(Georges Debacker)
 

Lees meer
Cerle Brugge KSV
Retro - Geen bankzitter … : Raf Lapeire


Geen bankzitter …

Raf Lapeire geïnterviewd         

   

Voorwoord van de hoofdredacteur: n.a.v. zijn overlijden op 20 februari 2020 publiceren we het interview dat SHOT van Raphaël Lapeire afnam in september 2009 opnieuw.

Van 1970 tot ’75 speelde de Izegemnaar Raf Lapeire in bijna alle wedstrijden van het Cerclefanionelftal. Hij speelde goed. Hij speelde graag. Meer dan honderdvijftig matchen. Hij was een hazewind. Topfit voelde hij zich bij Groen-Zwart. Op achtendertig doelpunten, veelal met het hoofd gescoord, blikt hij voldaan terug. Waarom verkaste hij halfweg 1975 van Cercle naar SC. Menen? Was hij uitgekeken op Cercle of was Cercle uitgekeken op hem? Ik vroeg het hem. “Volgend jaar zal dat niet opnieuw gebeuren,” had hij bij zichzelf gedacht… Wat dan wel, wat zou er niet opnieuw gebeuren? In ’74 -’75 waren er twintig ploegen in ’s lands eerste afdeling. Raf mocht ‘slechts’ vierendertig op de achtendertig keren met zijn medespelers het veld oprennen. Vier keer moest hij – met grote tegenzin – op de bank plaatsnemen… Víér keer bankzitter! Dat was Raf te veel. ‘De bank’, die o zo zware, o zo typische beproeving van zowat elk rasecht voetbaldier betekende voor Raf het abrupte einde van een heerlijke periode van vijf volle jaren groen-zwarte voetbalvreugde en -succes.                                             

Lees meer

Ontvang al het Cercle Brugge nieuws als eerste in je mailbox!